REIZIGER
(to make a richard long story even longer)
Ik reis met de trein van Aalst naar Gent. We vertrekken, ik kijk door het raam.
Kerk, appartementsgebouw, huis van papa, kasteel, KTA met de plaasteren bakker, slager en de koeien op het dak, het gele huis van mèmè en pèpè. Aan de andere kant een bomenrij, in de verte mijn huis, Zijpstraat 25 9308 Hofstade. Velden en weiden, bomen, de grote populier van de Kortenhoek, feestzaal Edelweiss, Lede Station. Op het dak van Spar Lede stond vroeger ook een koe, maar die is er afgehaald. Ze staat nu naast de opgeplooide LIEBHERR kraan. Droomland, Hof te Puttens. Aan het perron van Serskamp probeert een boer allerlei spullen aan argeloze treinreizigers te verkopen. Hij communiceert via bordjes. TE KOOP ROL + SCHOEPER. We rijden verder. De cd-man en zijn plastieken reigers, boomkwekerijen, paarden, koeien, drie vijvers achter elkaar, een bank met oude mannen in fluovestjes. Schellebelle leeft, lijn 53 uit Mechelen - Dendermonde kom erbij. De witte poort van het stationsgebouw staat open, er staat een motor in geparkeerd. Veld, boomkwekerij, moeras, boomkwekerij, veld, de huizen van Wetteren, watertoren, station Wetteren, nu in renovatie. Er worden valse leien op het dak gelegd. Achter café De Gevallen Engel staat de Wintertoren. Het gebouw naast het Posthotel is afgebroken. De grote bergen, ruïne, woonwijk en weer boomkwekerijen. In de verte GOWALT en zijn Boeing 747. De kranen van Heli, altijd op voet van oorlog. Wanneer de trein halt houdt in Kwatrecht zien we vier fabrieksschouwen, één kapotte fabriek met een boom op het dak, twee vogels op een bakstenen huis. We rijden verder, voorbij de hertjes, de zuivelruïne, het Federaal Voedselagentschap. Het waterzuiveringsstation is nu af, de kranen zijn weg. Twee sportterreinen, elk aan een kant van de spoorweg. Johnny Footballhero, Melle. Watertoren, muur tussen de sporen, Delirium Tremens, station. Achter een van de ramen hangt een rood gordijn. Klein Melle. Over de Schelde, Merelbeke ligt in een roestkleurig veld van sporenbundels, bielsen, bergen aarde en graafmachines. Tussen de sporen staan huizen, er lopen gele mannetjes rond. De daken en schouwen van Gent vormen een landschap waar niemand in kan lopen. Op de bruggen zijn giraffen gespoten. Een man staat op het dak van een huis aan de Clementinalaan. We zijn aangekomen. Daar staat de schutterstoren van Gent.
Ik overbrug een afstand tussen twee punten. Ik beweeg zelf of laat mijn lichaam vervoeren door een bewegend voertuig. Tussen de twee punten kan ik een lijn trekken, de registratie van de beweging van mijn lichaam over het land. Alles op, rond, onder, boven, in en tussen deze lijn is deel van mijn reis. Iedereen die onderweg is, is op reis. De persoon die naast me zit op de trein is op weg naar haar werk. Ze legt dit traject tweemaal daags af, het verveelt haar. Toch is ook zij een reiziger. De twee punten en de lijn ertussen blijven dezelfde op zo’n dagelijkse reis, maar alle andere factoren zijn variabel. Medereizigers wisselen, je eigen positie binnen de trein, je gemoedstoestand, het weer, het licht buiten, de periode van het jaar. Er zijn verschillende processen werkzaam, op verschillende niveaus en met hun eigen ritme. Dat maakt de ervaring van de treinrit iedere keer anders, dat maakt het reizen zo spannend.
Er zijn verschillende woorden voor soorten reizigers: forens, pendelaar, nomade, zigeuner, tsigane, Bohemer, toerist. De mate waarin ze onderweg zijn en de intentie waarmee ze dat doen verschilt. Nomadische stammen leven vandaag op de manier waarop hun voorouders al duizend jaar of langer leven. De sedentaire gemeenschap probeert hen te dwingen op één plaats te blijven. In Nederland had je in 1978 de Woonwagenwet waarbij woonwagenbewoners gedwongen werden samen te wonen in grote centra. In Mongolië werden de nomaden uit de steppen door de Russen bijeengezet in appartementjes. Mensen moeten bereikbaar zijn op een vast adres. De oorsprong van de mens ligt nochtans in een nomadisch bestaan, rondtrekken van plaats naar plaats. De landbouw zorgde ervoor dat mensen gebonden waren aan een stuk grond. Ook nu nog gaan boeren zelden op reis, zelfs niet naar zee. Toch is er steeds een reizend deel van de bevolking nodig om boodschappen over te brengen, koopwaar te verhandelen, onderhandelingen te voeren, kennis uit te breiden, veldslagen uit te vechten. Volgens de regels van de syntaxis zou iemand die reist een reizer moeten zijn. Reiziger is etymologisch echter afkomstig van Het Middel-Hoog-Duitse woord Reisiger. Het werd gebruikt voor ruiters en specifieker voor diegenen uitgerust voor een krijgstocht.
Forenzen zijn moderne nomaden in de zin dat ze elke dag onderweg zijn. Dat is nodig om de taken te verrichten waardoor ze in hun levensonderhoud voorzien. Ze weten echter wel waar ze zullen slapen. Ook nomaden, de Tuwa bijvoorbeeld, lassen een regelmaat en een bepaalde vorm van zekerheid in. Ze slaan hun kamp gedurende een tijdje ergens op, maar voelen zich niet verplicht daar jaren te blijven. Als de voorzieningen daar uitgeput zijn, trekken ze verder. In hun visie is de steppe en het land hun huis. Waar ze dan hun tijdelijke beschutting oprichten, maakt niet zoveel verschil.
Internationalisering is gelijk aan succes. Hoe belangrijker de functie die iemand heeft binnen de maatschappij, hoe meer en verder men moet reizen. Politici doorkruisen het land, presidenten de wereld. Ook zij keren terug naar huis. Rocksterren op tournee krijgen vaak de indruk dat ze enkel in bussen en op hotelkamers leven. Het is een ritme waartoe ze zich verplicht voelen door de vraag die er wereldwijd is naar hun aanwezigheid (en door de sommen geld die mensen daarvoor willen betalen). Om een rijk in stand te houden, is het nodig dat iedereen denkt je te kennen. De Romeinse keizers beeldden zichzelf af op munten, vandaag vangen internet en televisie dit op.
Het zijn voornamelijk reizigers die voor vooruitgang hebben gezorgd. Steden ontstonden aan knooppunten van handelswegen, ontdekkingsreizigers brachten producten en uitvindingen mee uit verre streken. De aardappel lijkt een Vlaams product, maar is afkomstig uit Zuid-Amerika, hier aanwezig dankzij Columbus. Marco Polo bracht de spaghetti. Achter schilderijen van de Vlaamse Primitieven gaat een hele handelstraffic vooraf. De pigmenten werden gewonnen uit stenen, planten en dieren verspreid over de hele wereld. De logistieke problemen ivm ultramarijn uit Afghanistan zorgden ervoor dat Michelangelo’s De Graflegging onafgewerkt bleef.
Al reizend krijg je zicht op verhoudingen. Onderweg kan je afstand nemen van persoonlijke beslommeringen en je overgeven aan het kijken naar de wereld. Op reis gaan staat voor veel mensen gelijk aan ontsnappen uit de tredmolen van werk en huishouden. Toerisme is niet alleen een gevolg van de toenemende welvaart, evenzeer van de toegenomen werkdruk. Mensen houden dit enkel vol met de gedachte aan later (in de zomervakantie, als ik op pensioen ben). Reizen vormt de adempauze die men nodig heeft.
De vroegste vormen van toerisme ontstonden door tochten die men aflegt voor het geloof. Een bedevaart naar Lourdes, Santiago di Compostela, Mekka of Oostakker wordt beschouwd als een louterende ervaring. De fysieke actie van het stappen moet nieuwe inzichten brengen, in vele godsdiensten, niet enkel monotheïstische ben je pas een goede gelovige als je een tocht hebt afgelegd naar een bepaalde, heilige plaats. Hindoes moeten op zijn minst de Ganges gezien hebben, boeddhistische monniken trekken naar Laos.
Naar de bakker lopen, van de slaapkamer naar de badkamer, met de trein van Aalst naar Gent, met de auto in de file op de Brusselse Ring, op een paard naar Jeruzalem, onderweg bevinden we ons tussen alle dingen. Het schept afstand om een overzicht te krijgen van alles wat rondom ons is. Het kaderen van een handeling in een breder perspectief kan een troost zijn, ook in een overvolle spitstrein.
GRENS
Het bekijken van een topografische kaart toont verschillende soorten lijnen die verschillende soorten grenzen en territoria aanduiden. De legende verklaart de waarde ervan. Een lijn op kaart hoeft er geen te zijn in de realiteit. Grenzen die fysisch bepaald zijn, door water of bergen, zijn hoogstens lijnachtige vormen.
Een grens is een concept. Er is geen fysische representatie noodzakelijk om haar te doen bestaan. Het bestaan ervan wordt geregeld in verdragen, contracten en kaarten. Het bepalen van grenzen gebeurt vaak vanuit de kaart en niet vanuit het werkelijke land. Zo kan het gebeuren dat een straat voor de ene helft in België ligt en voor de andere helft in Frankrijk (Abele/Abeele).
Het overschrijden van een grens tussen gemeenten voelt weinig anders dan van tegel naar tegel stappen. Een landsgrens oversteken verschilt daar als handeling niet zoveel van, althans in Europa, toch verandert de context rondom ons opmerkelijk. We zijn gebonden aan andere regels, in bepaalde gevallen verandert het landschap. De grens tussen België en Nederland genereert een ander soort kijken. In België botst de blik overal tegen op, in Nederland wordt hij de verte in gestuurd. Hier bepaalt een ander de ruimtelijke ordening. Omheiningen zijn er vaker af- dan aanwezig en als ze er zijn worden ze meestal gevormd door natuurlijke elementen zoals grachten of hagen.
Wanneer je reist over land en vaak hetzelfde traject aflegt (per trein bijvoorbeeld), kijk je anders naar al die verschillende territoria met hun eigen spelregels. Je eigent je toe wat je ziet. Grenzen vervagen en van de onzichtbare word je enkel bewust gemaakt door borden. AALST. LEDE. SERSKAMP. SCHELLEBELLE. WETTEREN. KWATRECHT. MELLE. MERELBEKE. GENT SINT - PIETERS. Pas na studie van de topografische kaart blijkt dat het station van Schellebelle voor een stuk in Wetteren ligt en dat van Merelbeke eigenlijk in Gentbrugge.
TERRITORIUM
Een territorium is een afgebakend stuk ruimte. Het wordt niet gedefiniëerd door grond, maar door lijnen. Daarbinnen ligt een verzameling van dingen die iemand beschouwt als de zijne. De grens is waar mijn verzameling ophoudt en de jouwe begint. De ruimte tussen begin en einde is liefst zo uitgestrekt mogelijk.
Ieder territorium is onecht. Een lijn is een verzameling van punten waartussen ruimte zit, hoe klein ook. De krachten die in het land werkzaam zijn, overstijgen iedere opdeling ervan. Een terrein afbakenen is het trekken van een potloodlijn die uitgegomd zal worden. Hoe meer handen erover wrijven, hoe vuiler ze wordt, het papier vergaat. Toch probeert men deze lijnen te tekenen met grachten, paaltjes, ijzerdraad, muren… Het zijn tastbare verzekeringen. Wat erbinnen ligt, is beschermd tegen de anderen en wordt grotendeels bepaald door jouw keuzes. Huizen zijn zeer duidelijke territoriale afbakeningen van een persoonlijke leefruimte. Een adres is de positionering daarvan binnen een groter geheel. Die opeenstapeling van territoria leidt uiteindelijk via verschillende tussen-niveaus tot een land. De wetten van dat land gelden voor alles en iedereen binnen dat territorium, ook voor je persoonlijke leefruimte. Af en toe bericht de krant over gaten in deze constructie. In Metro stond een tijdje geleden het artikel “Eilandje roept onafhankelijkheid uit” over de enige bewoner van een Schots eilandje die weigerde het gezag van het Verenigd Koninkrijk of de EU te erkennen.
Buiten deze formele vormen van territorium, eigenen we ons in gedachten plaatsen toe. Een stad kan niet van iemand zijn. Toch heeft iedereen die er vaak in rond loopt dat gevoel. In Aalst heb ik een gebied afgebakend met verloren uren, krijt en voetstappen. Ik woon niet in de stad. Ik vertrek er en kom er aan, maar blijf er niet. Er zijn plaatsen in de stad die ik als de mijne beschouw, omwille van handelingen en gebeurtenissen uit het verleden of uit instinctieve affiniteit. Het geheugen bouwt zijn eigen territorium. Ik kan in gedachten rondwandelen in Reykjavik in het jaar 2005 omdat ik daar toen geweest ben en die ervaring heb opgeslagen. Internettoepassingen als Google Maps versterken dit vermogen nog. Enkele muisklikken en je bekijkt de bergtoppen van de Andes of het stadscentrum van Los Angeles. Het invoeren van onze eigen coördinaten geeft een vrij accuraat beeld van onze leefomgeving aan iedereen die dat wil zien, zonder dat ons daarnaar gevraagd is. De geografische ruimte en het overzicht ervan zijn gemeengoed geworden. Iedereen kan zich in gedachten de wereld toe-eigenen.
Wanneer ik in de trein zit, zet ik mentale pionnen in het landschap op de plaatsen waar ik een beeld wil maken. Tegelijkertijd kan ik, omdat ik die ruimte ook buiten de trein heb verkend, mij de weg voorstellen die ik moet wandelen om daar te geraken. In mijn hoofd kan ik probleemloos 360° draaien, in-en uitzoomen en teruggaan in de tijd. Mentale territoria stellen de verbeelding in staat om te reizen in het eigen hoofd.
LAND
Het land is wat volgens het boek Genesis ontstond in de eerste vier dagen van de wereld.
Het omvat wat we voelen onder onze voeten, waar we over struikelen, waar we tegen botsen. Het land is onderhevig aan een aantal factoren; neerslag, wind, geologische processen die zich onder de korst afspelen, maar ook aan haar bewoners.
Het land zoals het wordt gemanifesteerd in Genesis bestaat niet. Het is niet af. Er ontstaan nieuwe plantensoorten, ook al sloot God dat hoofdstuk af op de derde dag.
Op die manier heeft het land in principe nooit bestaan. Het is niet statisch, maar een voortdurend veranderend geheel van processen.
Dieren en mensen zwerven rond over deze brokken land (die ook uit water kunnen bestaan). Het land is de fysieke ruimte waarin wij ons bevinden, waar wij vat op proberen te krijgen, maar daar slechts ten dele in kunnen slagen. Alles wat afhankelijk is van het land, bevindt zich in een kwetsbare positie tegenover de processen die erin werkzaam zijn. De verhouding van het wezen ten opzichte van het land is de meest fundamentele. Deze neemt soms de vorm aan van een strijd, maar is dat in se niet. Het land geeft en neemt, zoals de zee.
Wanneer het land zich roert, door een aardbeving, vulkaanuitbarsting of een ander geografisch verschijnsel, worden we ons pas weer bewust van die fundamentele kwestie.
LANDSCHAP
Het landschap is een deel van het land, begrensd door de menselijke blik. Deze positie duidt op een scheiding tussen de persoon die kijkt en het land zelf.
Wanneer iemand op reis gaat en daar een landschap waarneemt dat hij als overweldigend ervaart (het voorbeeld van een sublieme ervaring), verklaart men vaak achteraf zich één gevoeld te hebben met het landschap. In principe impliceert dit dat zij in normale toestand geen gevoel van eenheid gewaarworden en dit landschap beschouwen als iets waar zij geen deel van uitmaken.
Het landschap wordt overschouwd van op een afstand en van binnen uit, ook al bevindt men zich er middenin.
Binnen kan letterlijk vanuit een gebouw betekenen, maar ook vanuit het eigen lichaam/bewustzijn. Buiten en binnen worden als tegengestelden beschouwd, terwijl het binnen noodzakelijkerwijs een deel is van het buiten. Gebouwen zijn kwetsbaarder dan we doorgaans denken.
De binnenruimte is zo groot geworden dat er geen buiten meer lijkt te bestaan. Luxehotels zijn dorpen met overdekte straten. Een groot deel van de menselijke activiteit speelt zich af in gebouwen. Binnen is een afgebakend gebied, vaak door fysieke elementen begrensd.
Van daaruit kijkt iemand door het raam, naar het land. Wat hij ziet is landschap, door zijn blik al getransformeerd. Het zien ervan leidt tot het willen beïnvloeden ervan. Al bouwend creëert hij nieuwe uitzichten, zodanig dat er nieuwe woorden nodig zijn (cityscape).
HINTERLAND
Je zou het land kunnen beschouwen als een brok materie waar mensen en dieren in kerven en modelleren. Ze bouwen er dingen op, ze plakken er iets aan, graven uit.
Iets vergelijkbaar gebeurt met de woorden die mensen gebruiken. HINTERLAND bestaat uit twee delen. Land is het determinerende deel, hinter een voorvoegsel. Hinter- is een onderscheid gemaakt door de mens.
In geografische termen is het hinterland het gebied waar dingen geproduceerd worden om te exporteren of het gebied waarin goederen geïmporteerd worden. Alles buiten een havengebied is hinterland. Het havengebied wordt gelijkgesteld aan het land. Het land wordt begrensd en het hinterland onbegrensd. Op die manier wordt de spoorweg het land en het omringende landschap het hinterland. In dat hinterland staan huizen waarin mensen wonen die de trein nemen. In deze visie is wat men land noemt, binnen geworden. De mensen kijken van binnen naar buiten. Wat buiten is, lijkt niet echt meer. Nog tijdens het kijken verdwijnt de gedachte aan de realiteit van buiten. De trein is een bewegend, tijdelijk huis tussen de dingen.
BOUWEN
Een huis bouwen is een essentiële handeling. Tijdens het bouwen worden we teruggeworpen in rudimentaire omstandigheden. We moeten oplossingen zoeken voor fundamentele praktische problemen. Als ik een put graaf en ik blijf graven, hoe geraak ik er dan uit? Ik moet er voor zorgen dat er een ladder in de buurt is, of toch op zijn minst een touw. In de bouwsector heeft men specifiek producten ontwikkeld om dat soort problemen op te lossen. Wanneer een straat opengebroken wordt, kan er een gewone houten plank over een put gelegd worden als toegang tot een huis. Vaak heeft men speciale bruggetjes met leuningen die nergens anders voor gebruikt worden. De materialen waarmee gebouwd wordt zijn doorgaans ruw en onbewerkt. Hun natuurlijke oorsprong is tastbaar. Door minimale ingrepen worden ze bewerkt om een constructie te maken. De eerste fase van het bouwen van een huis gaan heel snel. Het is de afwerking die op zich laat wachten, een basisgebouw is er snel. Een huis in ruwbouw is eerlijk. Het verstopt zich nog niet achter valse wanden.
Het bouwen van een huis kan zo simpel zijn als een locatie vinden, materiaal en inspanningen leveren om dat materiaal zo samen te zetten dat er een gesloten geheel ontstaat. In de maatschappij waarin we nu leven gaat dat niet zo snel meer. Er zijn voorschriften voor schaal, ruimtelijke ordening. Ook bij het bouwen van een huis wordt rekening gehouden met het landschap en de ruimte rondom.
Noodzaak stimuleert inventiviteit. Hoeveel normen, regels en voorschriften er ook zijn, mensen blijven bouwen en creatieve oplossingen zoeken voor hun noden. Poolse migranten in Parijs betrokken een holle ruimte in de pijler van een viaduct. Een tuinhuis vereist een bouwvergunning, maar Vlaanderen staat vol gammele, zelfgefabriceerde koterijen. De materialen en de bouwwijze zijn allesbehalve orthodox. In Wichelen staat een stal bekleed met krantenpapier. Die ruwe bric-à-brac zegt veel over mensen. Ze willen bouwen ongeacht de voorschriften.
Bij Mongoolse nomadenvolkeren is het eigenlijke huis de wereld waarin ze leven, de yurt is daar een representatie van. Haar opbouwen bestaat uit: alle bezittingen binnen een cirkel zetten, op de juiste plaats, daar rond het geraamte opbouwen, vervolgens de bekleding aanbrengen. Als laatste komt de deur. Heel het huis kan opgevouwen en gestapeld worden op een kar.
Op een steenworp van mijn ouderlijk huis wonen al enige jaren ‘de zigeuners’. De ontwikkeling die hun woningen hebben doorgemaakt is een mooi voorbeeld van de overgang van een nomadisch naar een sedentair bestaan. Aanvankelijk leefden ze in woonwagens en caravans. Toen ze toestemming kregen om daar te verblijven, werden de wielen van de caravans gehaald. Sommigen zetten er muurtjes rond. Volgende fase was ofwel het uitbreiden van de caravan met een echte veranda ofwel het vervangen van de caravan door een bungalow. Daaraan verschenen weer nieuwe aanbouwen en uitbreidingen tot tuinhekjes en geraniums toe. De officiële naam voor de straat is nu Nomadenterrein.
TOREN
De toren werd oorspronkelijk opgericht als uitkijkpost en verdedigingsmechanisme. Wie hoger staat, heeft controle over de omgeving, ziet wat anderen niet zien. In de hoogte bouwen is de zwaartekracht tarten. Het is een uitdaging van mogelijke hogere instanties (God, natuurwetten), een veruitwendiging van macht en prestige. Ook nu nog is er een wedloop aan de gang om de hoogste toren te bouwen. Records worden verbrijzeld, de nieuwste architecturale technieken en materialen aangewend. Momenteel is de Burj Dubai (nog steeds in aanbouw) met 818m de hoogste wolkenkrabber ter wereld, maar er bestaan al plannen voor een bouwwerk van 1 kilometer hoogte.
Torens zijn landmarks, oriëntatiepunten in het landschap met een grote symboolwaarde. Ze vertegenwoordigen de trots, het optimisme en de ambitie van een samenleving. Daaraan raken is het hart van de natie treffen (New York, 11 september 2001).
De torens in de stadsomwalling zijn gericht op het leven beneden, de schutterstorens aan het station van Wetteren en dat van Gent zijn naar boven georiënteerd. Ze werden in het interbellum op vele plaatsen in Vlaanderen door schuttersverenigingen opgericht om ook in de winter naar de staande wip te kunnen schieten. Veelal staan ze achter cafés waar de schutters hun dorst kunnen lessen voor, tijdens en na de wedstrijd. Ook Aalst had een overdekte staande wip, maar die is gesloopt. Vandaag is de populariteit van de staande wip gedaald, waardoor de belangstelling voor deze torens niet meer zo groot is. Het zijn vervallen gebouwen die iedereen kent, de Wintertoren in Wetteren is een fenomeen en een vraagstuk voor menige treinreiziger. Van welke kant je Wetteren ook binnenrijdt, overal duikt hij op. Toch is de belangstelling voor dit soort bouwwerken vanuit de gemeente of overheidsinstanties klein. Een antwoord van de NMBS op de vraag naar toestemming voor het installeren van een Wintertoren Souvenirshop in het station: “Ook de oude schutterstorens willen we niet echt promoten in onze campagne voor moderne stations.” De torens behoren tot de realiteit van het landschap, ongeacht welke visie iemand heeft op architectuur of stadsplanning. Ze laten verdwijnen betekent een stuk cultureel erfgoed vernietigen in weerwil van de toekomst. Ook dat is de vaart der volkeren.
STAD
Steden ontstonden aan knooppunten van wegen (water-/land-/spoor-) . Waar veel reizigers op doortocht waren, vestigden anderen zich om deze reizigers te voorzien en om zelf voorzien te worden. Veel toegangswegen betekent ook een grote kwetsbaarheid ten opzichte van op uitbreiding beluste buren. Ommuurde vestingen als burchten of abdijen boden bescherming.
Plattelandsvlucht veroorzaakte overbevolking binnen de muren waardoor de grenzen van de stad steeds verlegd dienden te worden. De stad is, net als de yurt, een microkosmos geworden, een groot huis in het land. De Joodse gemeente staat nog steeds op een fysieke begrenzing van de stad. Op de Sabbat mogen ze in principe niets dragen of vervoeren. Om dit onpraktische voorschrift enigszins op te lossen, krijgt de stad de status van een huis. In Antwerpen worden de (metaforische) muren ervan gevormd door natuurlijke grenzen als de Schelde of de spoorweg, maar waar zo’n hindernis niet aanwezig is, werd een draad gespannen op boomhoogte. Het is belangrijk dat de stad volledig omsloten is. Als er gaten in komen, worden die zo snel mogelijk gerepareerd.
Een stad verandert voortdurend van uitzicht, nergens is bouwwoede zo zichtbaar. Kranen torenen boven de gebouwen uit. Het verleden wordt uitgewist in functie van het heden. In Aalst worden fabriekssites afgebroken om er grote appartementsblokken op te zetten. Al wat overblijft als herinnering, is de naam van de residentie. Bewoners van gebouwen wisselen in hoog tempo. Vergeten gaat snel. Een stad is een dicht weefsel van straten, huizen, daken. Vele plekken deel je met andere mensen, er is een constante stroom van verkeer. We wonen zo dicht bij elkaar dat we iemand kunnen horen kuchen in het appartement naast het onze. De densiteit van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op één bepaalde locatie is enorm hoog. Ergens op het niveau van micro-organismen moeten daar sporen van achterblijven. Het vuil van de stad is haar grootste archief.
HUIS
Het geluid van de wereld sijpelt altijd binnen, maar ik heb vertrouwen in de muren, vloeren en plafonds waartussen ik mij bevind. Hier woon ik. Hier gelden andere regels dan buiten. Dit is binnen, waar ik gerust kan slapen.
Het huis is een menselijke constructie, gebouwd om kwetsbaar in te zijn. Het stelt ons in staat om de dingen te ordenen en om te gaan met de wereld op onze eigen manier. Het zijn kleine dingen: de plaats van de yoghurt in de koelkast, de mogelijkheid om al je kleren in hopen rond het bed te verzamelen, op de grond gaan liggen als je die aandrang voelt, het kunnen en mogen opbouwen van gewoonten. De sociale controle en de verwachtingen die uitgaan van een groep mensen (de gemeenschap en/of de maatschappij) lijken weg te vallen. In die mate zelfs dat het huis een verlengstuk kan zijn van het eigen lichaam, alsof je een trui van hout en stenen aantrekt. Andersom zijn er omhulsels voor het lichaam die enkel binnenshuis gedragen worden (pantoffel, kamerjas, joggingbroek…). Veel mensen kleden zich om voor ze naar buiten gaan.
Vraag een kind om een huis te tekenen en je krijgt een vierkant met een driehoek er bovenop. Het heeft een stereotype vorm en wordt vaak beschouwd als een solide blok. Tussen de binnenbekleding en wat we zien van de gevel zit de draagstructuur van het gebouw. Meestal zien we deze enkel bij het bouwen of slopen. Dan pas valt het op hoe fragiel gebouwen zijn. We bedekken de ruwbouw met een aantal lagen. Door behangpapier, verf, posters… proberen we de kwetsbaarheid van het gebouw te vergeten. Andersom worden die technieken ook met opzet toegepast. In de bunkergordel rond Gent, die tot Kwatrecht komt, werd de betonnen structuur van de bunkers verstopt door speciale verftechnieken toe te passen, bakstenen muren en houten deuren en luiken voor te zetten. Na de strijd (de Slag van Kwatrecht) werden de bunkers op hun beurt geplunderd om de echte huizen te herstellen.
Een huis hoeft geen gebouw te zijn op een gefixeerde plaats. Nomaden hebben meestal een huis bij zich of het materiaal om er een te bouwen. Hun gewoonten en tradities vormen los van een fysische locatie de basis van hun leven.
PROCES
In het openbaar vervoer is er zoiets als de reizigerskilometer. Dit is het aantal kilometer dat door het voertuig afgelegd wordt vermenigvuldigd met het aantal reizigers. Hetzelfde principe zou men kunnen toepassen op alles wat zich binnen een huis bevindt. Een productkilometer als som van het aantal kilometer dat alle voorwerpen in een huis reeds hebben afgelegd. Het is onmogelijk te berekenen, maar geeft een idee over de weg die een product aflegt voor het bij een consument terechtkomt. Mensen houden van oude, verweerde materialen omdat die al een verhaal en een leven hebben. Ieder product, oud en nieuw, heeft al een verhaal, wars van romantiek. De productie van goederen is verspreid over de hele wereld. Het zijn verborgen processen, de handelingen die we niet zien of liever willen vergeten. Iedere persoon die een schakel is in een productieproces voelt zich op één of andere manier verbonden met wat hij produceert. De consument heeft geen vermoeden van wie deze mensen zijn, waar ze zich bevinden of in welke omstandigheden.
Producere betekent voortbrengen, procedere voortgaan, verlopen. Een proces is een reeks van handelingen of gebeurtenissen in de tijd, het product is wat resulteert uit zo’n verloop. Het afleveren van een product stopt het proces niet. De aard ervan verandert. Het geeft de invloed van de tijd op de materie weer.
De wereld is een amalgaam van processen, van fysiologische, chemische, persoonlijke, maatschappelijke, politieke, culturele, geologische,… aard.
WERELD
Die Welt ist alles, was der Fall ist.
(WITTGENSTEIN, Tractatus logico-philosophicus vertaald door W.F. Hermans, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2002, p.13)
WEEFSEL
Was der Fall ist, die Tatsache, ist das Bestehen von Sachverhalten.
(WITTGENSTEIN, Tractatus logico-philosophicus vertaald door W.F. Hermans, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2002, p.13)
WONEN
Wonen is een abstract werkwoord. Afwassen, door het raam staren, aardappelen schillen, in een zetel zitten maken op één of andere manier allemaal deel uit van wonen. Toch is het uitvoeren van die handelingen op een bepaalde plaats niet de essentie. Het is het herhalen ervan dat ons vertrouwd maakt met een ruimte. Wonen is een samengaan van tijd, zijn en ruimte. Stilaan ontwikkel je routines. De aardappelen krijgen een vaste plaats in de berging. Je acht het gebouw veilig genoeg om er je spullen achter te laten. Pas na het ontwikkelen van die gewoontes lijkt het gerechtvaardigd om te zeggen: “Ik woon daar”.
Een handeling die vaak genoeg herhaald wordt, is een gewoonte. Ook in andere talen is dat verband aanwezig. Zowel habit, habitat als habijt hebben dezelfde Latijnse wortel, habitare, dat wonen, blijven betekent. Habitare is verwant met habere, hebben, houden. De kern -it- duidt op een herhaling (habiter-habitare). Iter is een reis, iterare is herhalen.
Wat zich in een landschap bevindt en daar blijft, woont er ook. Wanneer ik die elementen regelmatig passeer, in het voorbijrijden met de fiets of de trein, zijn bomen evenzeer bewoners van het landschap dan de boerin die op haar erf staat. Wanneer met zo’n element schijnbaar niets gebeurt, wordt het gewoonte. Het is als een nieuwe bewoner in de wijk die zijn gevel geel schildert. In het begin wordt er veel over gepraat, maar men went eraan. Na een tijdje wordt er naar het huis gerefereerd als ‘het gele huis’. Het is een begrip geworden. Wanneer er blauwe strepen over het geel geschilderd worden, moet dat beeld hetzelfde proces doorlopen om ‘dat huis met die strepen’ te worden. Die verandering is er niet onmiddellijk. Ze heeft tijd nodig om door te sijpelen in het collectieve geheugen.
De beelden die we met In de Vaart der Volkeren maken in het landschap spelen met dat principe. Op een dag zijn ze er, breken in in het ‘gewone’. Ze blijven er even, ze veranderen mee met het landschap zelf. Een woord met blauwe plastic op een veld verwaait, gaat kapot, wordt overgroeid door gras en gele boterbloemen. Het wordt evenzeer een vertrouwd element in het landschap als de paarden op de weide ernaast, tot het op een dag volledig verdwenen zal zijn. We proberen zoveel mogelijk te spelen met gewoontemechanismen. Want de dingen zijn niet vanzelfsprekend. Herhaling is een opnieuw gebeuren van een algemeen patroon. De specifieke omstandigheden verschillen steeds. Een herhaling is daarom nooit compleet. Er is geen perpetuum mobile. Alles eindigt wel ergens.
Gewoonten en herhalingen zijn constructies opgezet om ons veilig te voelen in een wereld waarin niets zeker of standvastig is, mechanismen van de menselijke geest ter zelfbescherming.
DING
Een ding is zowel algemeen als specifiek, een vaste combinatie van letters die we de rol van joker toebedeeld hebben: altijd inzetbaar, met elke mogelijke waarde. Toch komt slechts één welbepaalde kaart hiervoor in aanmerking.
De Smurfen kennen geen dingen, alleen zichzelf.
Ding is een woord dat we vaak willen gebruiken, maar achteraf bedenken dat de zin ook duidelijk was zonder. En toch zijn dingen nodig. Ze tarten de grenzen van ons vermogen. Een ding ligt net buiten bereik. Zoeken werkt stimulerend.
HANDELING
Een handeling is een bewuste activiteit. Spitten, telefoneren, bouwen, denken, eten... Ons leven wordt gedomineerd door werkwoorden.
Een handeling kan uitgevoerd worden met een bepaald doel in gedachten. Dat is echter niet noodzakelijk. We doen veel dingen zonder doel. Bierkaartjes verscheuren, hoogspanningsdraden volgen, binnen kijken in andermans huizen. Deze handelingen beschouwen we niet echt als zodanig, waarschijnlijk net omdat ze geen doel hebben, omdat het toegeven is aan een instinctieve neiging. Toch zijn dit bewuste activiteiten, gelegen in een iets slaperiger bewustzijn, die we handelingen kunnen noemen.
De doelen die we onszelf stellen worden ingegeven door de manier waarop we moeten overleven. Die manier wordt ingegeven door het systeem dat is opgezet om dat overleven gemakkelijker te doen verlopen. Het is een systeem waarin geld een beslissende rol heeft. Dat geld zit vast in allerlei dingen, de bazen van die dingen zijn onzichtbaar of ver weg.
Toch moet je geld verdienen. Om dat te kunnen moet je studeren, stipt zijn, geroutineerd, een speciale garderobe hebben, bereid zijn het overgrote deel van je leven te werken. Er is een huis dat onderhoud vraagt en eten dat gekookt moet worden. Je maakt zelf een systeem waardoor je al deze handelingen efficiënt kan uitvoeren.
Men kan er ook voor kiezen die economie af te zweren en zich te specialiseren in doelloze handelingen.
BEELD
Het zwarte doek voor het raam trilt in de wind. Dat is een gebeurtenis. Voor mij is het een beeld.
Een beeld wordt waargenomen. Een gebeurtenis die een beeld wordt activeert onderhuidse processen.
COMPLEX
Het Latijnse werkwoord complecti betekent zowel omarmen als begrijpen. Het woord complex in de Nederlandse taal kan betekenen:
a) als adjectief
1. samengesteld, uit ongelijksoortige of ongelijkwaardige delen of factoren bestaand
2. een complex getal is een som van een reëel en een imaginair getal
b) als substantief
1. samengesteld geheel
2. geheel van gebouwen en opstallen
3. cluster, constellatie van emotioneel geladen ideeën
4. samenstel van ongelijksoortige moleculen of ionen
Het complex(e) tart de grenzen van het denken. We hebben veel denkbewegingen nodig om het te kunnen vatten. Complex houdt een niet-begrijpen in en indirect een verlangen om dat te overwinnen. Er zit geen onmogelijkheid in complexiteit. Als wij praten over een complex bouwwerk, is dat bouwwerk ook aan iemands brein ontsproten. Het vergt moeite. De structuren ontvouwen zich niet in één oogopslag. Het samenbrengen en vervlechten van de dingen betekent dat wanneer we het willen begrijpen, het moet ontrafeld worden. Daarvoor is een bepaalde bereidwilligheid nodig. In principe is een complex een structuur die groter is of lijkt dan wijzelf. Het is perfect mogelijk daar een deel van uit te maken zonder te willen begrijpen hoe de structuur werkt. In het zoeken naar een begrip van de dingen, het schommelen tussen weten en niet-weten, schuilt poëzie. De verschillende betekenissen van het woord ‘complex’ behelzen zowel fysieke als mentale activiteiten. De etymologische oorsprong van het woord complex ligt bij het vlechten of weven. Door draden op specifieke manieren te ordenen ontstaat een vast geheel. We gaan dagelijks om met stoffen zonder te beseffen dat deze daarvoor nog op bobijnen gewonden waren. Ook de woorden zelf vormen een onzichtbaar netwerk van betekenissen. Door hun etymologie, associaties, orthografische veranderingen vertellen ze, buiten hun functie als benoemer van dingen, ook iets over het verschuiven van accenten en evoluties in het menselijk denken. Doorheen tijd en ruimte worden zo door de woorden verbanden gelegd. Een klein aantal letters genereert een heleboel gedachten bij heel veel verschillende mensen. Een plexus is een plaats in het lichaam waar veel zenuwen samenkomen. Deze knooppunten zijn van vitaal belang voor onze bewegingen en daaruit voortvloeiend: handelingen. In al deze zinnen omvat het woord complex het hele spectrum van dingen, wezens, handelingen... dat in de wereld aanwezig is.
STATION
Alles rondom het station beweegt. Het station staat in functie van die beweging. Forenzen verzamelen zich, stappen op voertuigen, rijden weg. Het zijn moderne stadspoorten, de enige gebouwen die iets van die functie hebben overgenomen. Ervoor ligt een groot plein. Je betaalt tol om naar een andere stad te mogen. Checkpoint Charlie, een plaats om door te stromen.
Het zijn goede plekken om naar mensen te kijken. De habitués onderscheiden zich er onmiddellijk van de toeristen. In Gent Sint-Pieters stappen gemiddeld 44 000 mensen op (gemeten in 2007).
Stationsgebouwen bestaan in soorten en maten, allen sterk getekend door de tijd waarin ze gebouwd werden. Samen vormen ze een mooi overzicht van bijna 200 jaar Belgische architectuurgeschiedenis. De stations van Gent en Aalst zijn beide neogotisch geïnspireerd, het lijken burchten met torens en kantelen. Aalst heeft zelfs een donjon. Grote steden hebben prestigieuze gebouwen, paleizen bijna. Vooral de kopstations blinken uit, denk maar aan die van Antwerpen-Centraal of Oostende met hun echo’s naar het Grand Palais in Parijs. Prestige en grandeur spelen nog steeds een grote rol bij de bouw of renovatie van een station in een grote stad. Men wil uitpakken met nieuwe, revolutionaire materialen en technieken. Luik-Guillemins kreeg een overkapping van de architect Santiago Calatrava. Daarmee plaatst de NMBS zich in het rijtje van de Montjuic in Barcelona, het Olympisch Stadion in Athene, het station bij de luchthaven van Lyon… Voor kleinere stations werden bouwtypes ontworpen, vandaar de gelijkenissen tussen de vele bakstenen stationsgebouwen.
Er is een grote modernisering van de stations aan de gang. In de huidige filosofie van de NMBS moet het station een ontmoetingsplaats worden waar je afspreekt met vrienden, kan eten, winkelen, een klein dorp. Onlangs werd Het Station als merk gelanceerd, met vier gekleurde palen voor de ingang om dat te benadrukken. De oude gebouwen worden versterkt met hedendaagse architecturale elementen. De nieuwe glazen luifel aan de hoofdingang van Gent Sint-Pieters ligt in de lijn van Calatrava’s bogen in Luik. De drie grote stations op lijn 50 worden tegelijkertijd verbouwd of gerenoveerd. Zowel de veranderingen in Aalst als Gent zijn grote stedenbouwkundige projecten. Het station van Wetteren, derde oudste van België, is tot op de ruwbouw uitgekleed en wordt nu terug opgebouwd, in oorspronkelijke staat maar met kunststof leien op het dak. Communicatie over deze bouwwerken gebeurt op een selectieve manier. Grote projecten als Gent Sint-Pieters worden toegelicht via spandoeken, folders en persberichten. In Wetteren hangt geen enkele affiche over hoe het station er in gemoderniseerde versie zal uitzien.
Het station is de fysieke representatie van de spoorwegmaatschappij, inclusief gebreken.





